hondenjaren

1978


Ik heb een methode gevonden om in de tijd te reizen. Mijn ouders zijn allebei dood, en ik heb een plan: ik ga terug om ze te overtuigen dat ze moeten stoppen met roken.

Belangrijk detail: met de tijdreismethode die ik heb gevonden kan je alleen terug in je eigen lichaam. Dat is volkomen logisch, maar het zorgt er wel voor dat je tegen een aantal uitdagingen aanloopt. Ik kan nu dus al verklappen: mijn missie zal niet onmiddellijk slagen.
Dit is een verslag van de eerste poging.


Dit is hondenjaren, een tijdreis van Walter van den Berg.


Eerste dag

Ik durf mijn ogen niet meteen open te doen. Ik probeer me eerst bewust te worden van het lichaam waar ik in zit. Het is… kort. Ik ben een man van twee meter maar nu ben ik kort. Ik denk na over wat er straks gaat gebeuren.
Ik ga mijn ouders zien, levend, en dat gaat een schok zijn, maar zij zien een joch dat ze de dag daarvoor hebben ingestopt. Het is zaak zo normaal mogelijk over te komen. Ik haal diep adem, tel van drie naar één, en open dan mijn ogen.

De slaapkamer is groot en heeft wit-groen behang. Of groot: ik moet me realiseren dat mijn perspectief zich aanpast aan mijn lengte. Het behang moet betekenen dat ik in Nijmegen ben. We hebben twee of drie jaar in Nijmegen gewoond; binnengekomen in de eerste klas, terug naar Amsterdam in de derde klas.
Ik zwaai mijn benen uit het hoge bed, het scheepsbed dat we bij de Miro I) De Miro was een soort Makro, in mijn herinnering een enorme winkel, maar ik ben er in de week dat ik terug was in 1978 niet geweest. hebben gekocht, spaanplaat beplakt met vurenhout fineer en moet een lach onderdrukken. Het zijn de jaren 70 en mijn benen zijn belachelijk kort. Ik duw mezelf van het bed en ik ga staan en val meteen om: mijn zwaartepunt zit lager, het voelt alsof er zakken grind aan mijn knieën hangen. Ik lach weer. Ik heb in de tijd gereisd en ik ben een kind.

Tweede dag

Ik kan niet stoppen met naar mijn vader kijken. We hebben het grijze bankstel nog: een driezitter en twee leunstoelen. Over een paar jaar verhuizen we weer naar Amsterdam en nemen we twee katten die de bank zullen onderpiesen. Mijn vader zit in een van de stoelen en we kijken tv. Hij heeft zijn borreltje naast zich staan: Vieux van Dujardin en hij rookt. Philip Morris zonder filter. De tv is een enorme beeldbuis II) Een Philips X26K201/05 met een luidspreker aan de rechterkant en we kunnen kiezen uit zes kanalen, want er zitten zes knoppen boven de luidspreker. Er zijn maar vijf kanalen ingesteld, want meer zijn er niet te ontvangen met de antenne die op het dak van het flatgebouw staat. Nederland 1 en 2, en Duitsland 1, 2 en 3. De derde knop staat ingedrukt. Mijn vader kijkt Sportschau, dus het moet zaterdag zijn.

Ik pak de Troskompas van tafel. De Troskompas zit in het speciale mapje dat abonnees krijgen. Zaterdag is 26 mei 1978.

1978: Dit is de situatie bij ons thuis.

  • We wonen in Nijmegen. We zullen daar drie jaar in totaal wonen.
  • We wonen op de Jacobslaan 464. De woning is een maisonette; een flat van twee verdiepingen.
  • Mijn ouders hebben twee wasserettes. Die hebben ze overgenomen van een man die ze in onze laatste vakantie, een paar jaar geleden, tegen zijn gekomen. De twee wasserettes zijn een schakel in een lange ketting voorzichtige avonturen die mijn ouders ondernemen.

‘Pappa,’ zeg ik, en ik verbaas me weer over het hoge stemmetje dat uit mijn mond komt.
‘Ja?’ Ik vind dat korte woord al genoeg; ik was vergeten hoe zijn stem klonk omdat ik hem al 31 jaar niet had gehoord en ik ben al twee dagen vragen aan het stellen om hem iets te horen zeggen.
‘Die knoppen van de tv,’ zeg ik, ‘die gaan gek doen over een jaar of zo.’
‘Ja?’ Hij blijft naar de beeldbuis kijken: Duitse voetballers in kleine broekjes.
‘Als we dan overschakelen naar een ander kanaal door een knop in te drukken, springt de knop van het kanaal dat ingeschakeld stond van de tv. Daar moeten we dan erg om lachen.’
‘Oh?’
‘Als het gebeurt, pakken we lachend de knop van de vloer en drukken die dan weer op z’n plek. Maar op een gegeven moment springt een van die knoppen weg en kunnen we ‘m niet meer vinden en dan hebben we nog twee jaar die tv met een gat op de plek waar die verdwenen knop zat.’
Op een gegeven moment?’
‘Ik wil heel graag dat je dat onthoudt.’
Hij kijkt me even aan.
Mijn vader vindt me raar.
Ik wilde bewijsvoering opbouwen voor wat ik uiteindelijk tegen hem wil zeggen, maar hij vindt me alleen maar raar.
‘Voel je je al beter?’
‘Ja hoor,’ zeg ik.
‘Val je niet meer om?’
‘Nee.’
‘Dan ga je maandag weer naar school.’

Derde dag

Het is zondag en het is acht uur en mijn moeder zegt dat ik moet gaan slapen.
‘Mag ik het nieuws zien?’
Mijn vader, mijn moeder en mijn zus kijken me alledrie aan. Mijn zus en ik hebben net de reclame gekeken. Het is het enige reclameblok van de hele dag voor het enige journaal van de enige dag. Mijn zus keek het blok voor vermaak, ik keek het uit nostalgie en ik moest me inhouden niet bij elke reclame ‘o ja!’ te roepen, en mijn hoofd te schudden bij de oubollige loekie-filmpjes tussendoor.
‘Nee,’ zegt mijn moeder, ‘het nieuws is veel te eng, en je moet morgen naar school.’
Ik knik. ‘Hoe, eh, gaan we eigenlijk naar school?’ Het is een missende herinnering: ik vraag me plotseling af of we oud genoeg zijn om alleen naar school te lopen.
‘Met een ruimteschip,’ zegt mijn vader, en ik lach harder dan hoeft omdat ik me kennelijk heb voorgenomen zijn slechte grappen duidelijker te waarderen.
‘Weet je je zeker dat je je goed voelt?’ vraagt mijn moeder.
Ik knik.
Mijn ouders steken allebei een sigaret op. Het is 1978 en het is heel, heel normaal in huis te roken met je kinderen in de kamer.
Ik lig nog lang wakker. Is het nu echt de bedoeling dat ik twaalf uur per nacht slaap?

Vierde dag

Ik sta in de gangen van de Karel Doormanschool III) Ongeveer hier, maar ik kan niet zo snel iets vinden over het precieze adres en ik heb in de paar dagen dat ik naar school ging geen nummerbordje gezien. en ik weet niet in welke klas ik zit. Ik weet nog waar de klassen zitten (hoewel de school er anders uitzag in mijn herinnering) maar ik weet niet in welk jaar ik zit. Het is 1978, nog geen september dus ik ben zeven – in welke klas hoor je dan te zitten? Ik weet dat soort dingen niet.
Dan: ‘Walter van den Berg. Wat sta je nou weer te dromen?’
Juffrouw Witteveen staat met haar handen in haar zij op me te wachten.
Waarom heb ik niet eerder aan juffrouw Witteveen gedacht?
Juffrouw Witteveen heeft ooit mijn pen aan mijn vingers geplakt met plakband omdat de letters die ik schreef niet overeen kwamen met de gestippelde letters die ik over moest trekken. Juffrouw Witteveen gooide bij verkoudheid haar volgesnoten papieren zakdoekjes op een tafeltje van een leerling zodat ze die zakdoekjes niet zelf weg hoefde te gooien.
We hebben eerst kringgesprek, want het is maandag. Ik ga er vol goede moed in. Nadat drie kinderen aan het woord zijn geweest, denk ik: hoe kan een mens zo oninteressant zijn? Waarom denk je dat het boeiend is dat je tante jarig was en dat ze pepsels had gehaald voor de kinderen?
Dan: ‘Walter van den Berg. Je vindt de rest van ons duidelijk weer heel vervelend. Wil jij ons nog iets vertellen?’
Ik kijk de kring rond. Ik heb jarenlang met de overtuiging geleefd dat de andere kinderen in elke klas waar ik ooit heb gezeten mij heel erg stom vonden, maar deze kinderen kijken me aan met een open blik en wachten hoogstens tot ik iets stoms zeg, maar ze vinden me niet stom. Nog niet.
‘Ik…’
Ik denk even na en zeg dan dat ik niks bijzonders heb meegemaakt.
Ik kijk naar de pen in mijn vingers en daarna kijk ik naar mijn vingers. Ze zijn belachelijk klein. Welk gezond denkend mens verwacht dat iemand met zulke kleine pielevingertjes een behoorlijk handschrift kan hebben? ‘Ha!’ zeg ik, iets te hard, terwijl ik mijn pen op mijn tafeltje laat vallen. Een vulpen, godbetert. Alsof ballpoints nog niet zijn uitgevonden.
Juffrouw Witteveen kijkt me aan. Ik heb haar tot het uiterste getergd en de ontploffing is nabij.
Ik steek mijn hand op, niet als een tweedeklasser die iets wil vragen, maar als een kleine volwassene die een grote volwassene duidelijk wil maken dat ze haar energie niet moet verspillen. Ik schud mijn hoofd. Gewoon niet doen. Niet ontploffen. Nergens voor nodig.

Vijfde dag

Ik vraag mijn moeder of er een bibliotheek in de buurt is. Ik heb geen herinneringen aan een bibliotheek hier, ik denk niet dat we er ooit geweest zijn.
Mijn moeder stopt met draaien aan de snijbonenmolen, denkt na en zegt: ‘dat weet ik eigenlijk niet. Dat moeten we nog uitzoeken.’ We wonen hier al een jaar, waarschijnlijk, maar mijn ouders blijven overal waar we komen wonen zeggen: dat moeten we nog uitzoeken. We verhuizen, we maken het huis woonklaar, mijn ouders gaan aan het werk, en we moeten alles nog uitzoeken.
Ik vraag mijn moeder of ze niet denkt dat het belangrijk is dat ik regelmatig in een bibliotheek kom. Ik geef haar twee nieuwe snijbonen aan, die ze in de twee gaten van de snijbonenmolen stopt.
Ze zegt dat ze me eigenlijk nooit ziet lezen.
‘Maar denk je niet dat het belangrijk is dat je dat stimuleert?’
Ze kijkt me aan.
‘Zal ik gewoon eerlijk zijn?’ vraag ik. Ik ben me bewust dat dat een zin is die redelijk belachelijk is als ie uitgesproken wordt door iemand van zeven. Over vier jaar van nu IV) In Amsterdam Slotermeer zal Peter Niehoff mijn ouders vragen of hij mij even onder vier ogen mag spreken en ik zal dan al meteen weten dat dat volslagen idioot klinkt bij iemand van elf.
‘Ja,’ zegt mijn moeder, ‘wees eens gewoon eerlijk,’ half lachend.
‘Het internet bestaat nog niet. Het zal nog tientallen jaren duren voor dat wordt uitgevonden, decennia, of althans: voor het een beetje normaal is om daar dingen op te zoeken. En ik wil graag iets opzoeken, dus ik moet naar een bibliotheek.’
Ik besluit de rechtstreekse aanval te kiezen. ‘Ik wil graag kunnen laten zien dat roken dodelijk is.’
Mijn moeder kijkt me even aan en zegt: ‘Walter, stel je niet zo aan alsjeblieft.’ Ze pakt haar werk weer op.
Ik zit de krant te lezen als mijn vader binnenkomt. De krant is de Telegraaf, vlekkerige letters, rommelig opgemaakt, veel man-bijt-hond-nieuws; het is zomer. Mijn vader kijkt even naar het tafereel: een klein mannetje achter een grote krant. Ik lach naar hem. ‘Pappa, stond jij eigenlijk achter de deelname van het Nederlands elftal aan het WK in Argentinië?’
‘Stond?’
‘Sta! Het het moet nog gespeeld worden, natuurlijk. Wat ik bedoel: ben je je bewust van de misdaden van het regime daar? Jorge Videla, de dwaze moeders?’
Hij zegt niets.
‘Ik weet natuurlijk ook niet precies wat daar aan de hand is hoor, ik ben er nu te jong voor en ik zal me er later ook niet erg in verdiepen, maar ik weet van latere WK’s dat er nog over gesproken gaat worden.’
‘Van latere WK’s?’
‘Hm-m. Het zal nog een tijdje duren voor voetbal me gaat interesseren, maar het is een discussie die niet zomaar voorbij is. In 2022 zal het WK in Qatar georganiseerd worden en daar zal behoorlijk wat ophef over zijn. Niet eens omdat daar een dictator rondloopt zoals in Argentinië, maar Qatar, denk je eens in, daar is het 50 graden in de zomer.’
Ik weet niet helemaal zeker of deze rechtstreekse aanval het juiste effect sorteert. Mijn vader raakt er vooral steeds steviger van overtuigd dat ik raar ben, vermoed ik. ‘Oké,’ zeg ik, ‘ik moet met dingen komen die wat dichter bij huis liggen. Nederland wordt geen wereldkampioen. Nederland komt in de finale en Rob Rensenbrink gaat in de laatste minuut tegen de paal schieten. Ik weet het scoreverloop niet precies, maar dat is wat heel Nederland gaat onthouden: die bal tegen de paal van Rob Rensenbrink.’
Mijn vaders blik is leeg.
‘Ik wil heel graag dat je dat onthoudt. Dat je nu onthoudt dat ik dat zei.’
Ik vouw de krant op en ik pak de Donald Duck. Op dinsdag komt de Donald Duck binnen. Ik moet dit beter organiseren. Ik moet meer dingen van te voren uitzoeken. En ik moet voorzichtig zijn – stel je voor dat de schoonzuster van Rob Rensenbrink bij mijn vader in de wasserette komt en hij vertelt dit als grap en Rensenbrink schiet die bal erin, in Argentinië?
‘s Avonds is er Simonscoop, met Simon van Collem. Grease is net uit, en Simon vertelt wat hij van de film vindt. Hij heeft het over John Travolta en mijn vader maakt een van zijn slechte grappen: ‘hoor je dat? Joost den Draaier zit in die film.’
‘Ha!’ roep ik. ‘Ha! Ik kan me dit nog herinneren! Morgen ga ik naar school en een jongen uit mijn klas V) Die jongen heet ook Simon, trouwens, heel blond, met donkere ogen – ik denk dat alle moeders trillende knieën van ‘m kregen, maar het was een kutjoch. heeft een button met John Travolta op zijn borst en ik heb jouw grap serieus genomen omdat ie helemaal niet grappig is en ik zeg tegen die jongen “hee, dat is Joost den Draaier”.’
Mijn vader weet duidelijk niet zo goed hoe hij daar op moet reageren.

Zesde dag

Ik heb een bibliotheek gevonden in de buurt. Douwe, een jongen uit de flat, heeft me ermee naartoe genomen. Douwe en zijn familie komen uit Friesland en zijn ouders hebben de deur naar de woonkamer altijd dicht; die gaat alleen open op zondag.
Douwe loopt door naar de kinderafdeling. ‘Ze hebben ook een bak met strips,’ zegt hij.
‘Ik moet iets opzoeken,’ zeg ik. Maar hoe? Er staan boeken in de bibliotheek, maar hoe kom ik aan informatie die in artikelen staan? Ik loop naar de balie en ik moet een beetje op mijn tenen gaan staan voor de mevrouw erachter me opmerkt. ‘Dag jongeman,’ zegt ze.
‘Dag,’ zeg ik. ‘Heeft u misschien ook jaargangen van The Lancet?’
‘Van The Lancet?’
‘Ik wil graag kijken of er artikelen instaan over de schadelijkheid van roken. Of over tijdreizen.’
Ze knikt. ‘Dat begrijp ik. Helaas hebben we geen jaargangen van The Lancet. We zijn maar een kleine buurtbibliotheek.’
Ik vraag of ze enig idee heeft hoe ik aan artikelen kan komen over de schadelijkheid van roken.
Ze zegt dat ze dat niet weet en ze vraagt of roken dan zo schadelijk is.
Ja, zeg ik. ‘Mijn ouders zullen er allebei aan overlijden.’
‘En je wil tijdreizen om dat te kunnen aantonen?’
‘O nee, dat tijdreizen is allang gelukt, ik ben hier tenslotte. Ik weet alleen niet zo goed hoe ik dat dan weer kan bewijzen.’
‘Ik begrijp het,’ zegt ze.
Buiten roept Douwe naar een jongen op een BMX-fiets. De jongen rijdt door, en pas als hij de hoek om is, vraag ik me af of ik dat goed heb gezien. ‘Reed hij op een BMX?’
Douwe kijkt me even vragend aan.

Zevende dag

We kijken Ter land, ter zee en in de lucht vanavond is er Tobbedansen en we hebben Pennywafels VI) Panky’s, om precies te zijn, Panky’s zijn heel even heel groot, in ieder geval in mijn beleving . Er stappen vier mannen in een varken van papier maché.
‘Mamma,’ zeg ik, ‘heb jij ooit verteld hoe je pappa hebt ontmoet?’ Ik ben hard aan het denken; ze heeft het me verteld toen ze ziek in het verpleeghuis lag maar ik ben de details vergeten; ik weet alleen nog dat mijn vader heel erg zijn best heeft moeten doen voor haar.
‘Vast wel hoor,’ zegt ze.
Ik voel me een beetje misselijk en ik zweet.
Het varken slaat te pletter op het water.
De volgende deelnemers staan klaar met een enorme mobiele telefoon waar ze straks in gaan stappen.
Ik probeer de details op te halen maar mijn moeder begint al te vertellen. ‘Nee, stop,’ zeg ik. Ik concentreer me maar de mobiele telefoon leidt mijn aandacht af. Een mobiele telefoon, wat is daar mis mee?
Ik voel dat ik moet overgeven dus ren naar de wc. Er komt een willekeurige herinnering op: ik kon het verschil tussen links en rechts onthouden omdat de wc-rol in dit huis aan de linkerkant hing. Ik hang boven de pot en mijn moeder staat over me heen gebogen.
‘Jongen toch,’ zegt mijn moeder, ‘jongen toch…’
‘Mam, wat klopt er niet aan die mobiele telefoon?’
Ze denkt na over die vraag; het klinkt alsof ik kritiek heb op de creativiteit van de deelnemers.
‘Mam, er hoort geen mobiele telefoon mee te doen aan Ter land, ter zee en in de lucht. Het is 1978.’

Op dat moment ga ik terug.

Ik knipper met mijn ogen.
‘Het leek of je even weg was,’ zegt mijn vriendin.

Voetnoten   [ + ]

I.
  De Miro was een soort Makro, in mijn herinnering een enorme winkel, maar ik ben er in de week dat ik terug was in 1978 niet geweest.

III.
  Ongeveer hier, maar ik kan niet zo snel iets vinden over het precieze adres en ik heb in de paar dagen dat ik naar school ging geen nummerbordje gezien.

IV.
  In Amsterdam Slotermeer

V.
  Die jongen heet ook Simon, trouwens, heel blond, met donkere ogen – ik denk dat alle moeders trillende knieën van ‘m kregen, maar het was een kutjoch.

VI.
  Panky’s, om precies te zijn, Panky’s zijn heel even heel groot, in ieder geval in mijn beleving

Aantekeningen bij deze tijdreis

  • Het is gebleken dat ik ongeveer een week weg kan blijven.
  • Ik moet me beter voorbereiden. Ik moet geschiedenisfeitjes uit het hoofd leren, liefst zo precies mogelijk, op de datum. Als ik dan ergens terechtkom waar ik een zeer nabije gebeurtenis kan voorspellen, heb ik wat meer leverage.
  • Ik moet diverse methodes uitproberen. Ik kan wellicht ook een lief kind proberen te zijn dat geen eigenwijze dingen zegt maar speelt op de emotie.

De onmisbare nieuwsbrief

Hondenjaren ververst op onregelmatige basis. Wilt u niets missen? Schrijf u dan in voor de nieuwsbrief.